De beruchte Amsterdamse crimineel Mink Kok (64) is na een reeks juridische obstakels en een felle strijd met het Openbaar Ministerie alsnog op vrije voeten gesteld. Waar justitie zijn voorwaardelijke invrijheidstelling op het laatste moment probeerde te blokkeren, besloot het gerechtshof uiteindelijk dat Kok onder voorwaarden de gevangenis mocht verlaten. De zaak legt opnieuw de spanningen bloot rond de nieuwe regels voor vervroegde vrijlating in Nederland en laat zien hoe juridische procedures een vrijlating nog op het laatste moment kunnen veranderen.

De bekende Amsterdamse crimineel Mink Kok is na een reeks juridische obstakels en een felle strijd tussen justitie en zijn verdediging toch op vrije voeten gesteld. De 64-jarige Kok verliet vrijdagmiddag de gevangenis nadat het gerechtshof uiteindelijk een nieuw schorsingsverzoek van zijn advocaat honoreerde. Daarmee kwam er een einde aan een opmerkelijke situatie waarin het Openbaar Ministerie zijn vrijlating op het laatste moment probeerde te blokkeren.
Kok was in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens betrokkenheid bij grootschalige drugshandel en voorbereidingshandelingen voor een cocaïnelaboratorium. Normaal gesproken zou hij eerder die week al onder voorwaarden zijn vrijgekomen. Toch besloot het Openbaar Ministerie op het laatste moment dat hij nog niet mocht vertrekken.
De zaak leidde tot grote verwarring rond de nieuwe regels voor voorwaardelijke invrijheidstelling in Nederland. Volgens zijn advocaat was er lange tijd vanuit gegaan dat Kok volgens de berekening van zijn straf op 11 maart vrij zou komen. Maar doordat er een verschil van interpretatie ontstond tussen justitie en de Dienst Justitiële Inrichtingen, bleef de 64-jarige crimineel toch nog vastzitten.
Na een nieuwe zitting besloot het gerechtshof echter alsnog dat Kok onder algemene voorwaarden mocht vertrekken. Kort daarna werd hij opgehaald door familieleden en verliet hij de penitentiaire inrichting in Nieuwegein.
De veroordeling van Mink Kok heeft betrekking op meerdere strafbare feiten rond internationale drugshandel. Volgens justitie was hij betrokken bij de voorbereiding van de smokkel van ongeveer 400 kilo cocaïne vanuit Nederland naar Duitsland. Daarnaast werd hij veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor het opzetten van een cocaïnelaboratorium en het bezit van cocaïne.
Het Openbaar Ministerie stelde tijdens het hoger beroep dat Kok een belangrijke rol speelde in het netwerk dat zich bezighield met deze activiteiten. Daarom eiste de advocaat-generaal een gevangenisstraf van negen jaar. Het gerechtshof ging daar niet volledig in mee en legde uiteindelijk een straf van zes jaar op.
Door de tijd die Kok al in voorlopige hechtenis had doorgebracht, werd de einddatum van zijn straf berekend op 11 maart. In eerdere jaren zou dat automatisch hebben geleid tot vervroegde invrijheidstelling. Maar door veranderingen in de wetgeving is dat tegenwoordig anders geregeld.
Sinds de invoering van nieuwe regels is er geen sprake meer van een automatische vervroegde vrijlating. In plaats daarvan wordt een gedetineerde onder voorwaarden vrijgelaten na beoordeling door verschillende instanties.
De discussie rond de vrijlating van Mink Kok draait voor een groot deel om de veranderde regels rond detentie en vrijlating. Waar gedetineerden vroeger vaak automatisch vervroegd vrijkwamen na het uitzitten van een deel van hun straf, moet tegenwoordig eerst een uitgebreide procedure worden doorlopen.
Binnen deze procedure speelt een zogenoemde vrijhedencommissie een belangrijke rol. Deze commissie beoordeelt of een gedetineerde in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling en of er aanvullende maatregelen nodig zijn. Denk daarbij aan een enkelband, een meldplicht of het inleveren van een paspoort.
Na het advies van de commissie neemt een selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen het formele besluit over de vrijlating. In theorie lijkt dit een duidelijke procedure, maar in de praktijk kan het tot vertraging en juridische discussie leiden, zoals in de zaak van Kok.
In zijn geval was er namelijk een probleem ontstaan in het systeem van het Openbaar Ministerie. Daar was onvoldoende rekening gehouden met een periode van bijna drie maanden waarin Kok in uitleveringsdetentie had gezeten. De Dienst Justitiële Inrichtingen had die periode wél meegenomen in de berekening van zijn straf.
Daardoor ontstond een verschil van inzicht over de datum waarop Kok in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling.

Een ander punt van discussie in de zaak was het feit dat Kok cassatie had ingesteld bij de Hoge Raad. Volgens het Openbaar Ministerie betekende dit dat er geen sprake was van een zogenoemde fictieve invrijheidstelling.
Daarnaast bracht het OM ook het gedrag van Kok tijdens zijn detentie ter sprake. Zo had de gevangenisdirectie hem in 2023 een mediacontactverbod opgelegd nadat hij contact had gehad met een journalist.
Hoewel Kok zich daarna aan het verbod hield, werd dit incident alsnog genoemd als een negatief punt in de beoordeling van zijn gedrag. Ook een conflict rond een krant in de gevangenis werd tijdens de zitting aangehaald.
Volgens zijn advocaat had Kok de gewoonte om een krant mee te nemen naar zijn werkplek in de gevangenis om na het werk de tijd door te brengen totdat iedereen terug naar de cel moest. Op een bepaald moment werd hem verboden de krant nog mee te nemen.
Toen Kok daartegen protesteerde, werd dit door de gevangenisleiding gezien als werkweigering. Uiteindelijk leidde het incident tot een klachtprocedure. De directeur van de gevangenis bood later excuses aan en Kok kreeg een vergoeding van 45 euro.
Toch werd het incident tijdens de zitting door de advocaat-generaal gepresenteerd als een ernstig voorval.