Het Nederlandse TBS-systeem ontstond in de twintigste eeuw als reactie op de behoefte aan een humanere behandeling van criminelen met psychiatrische stoornissen. Voor de introductie van TBS werden dergelijke daders vaak langdurig opgesloten zonder gerichte medische behandeling. Met de ontwikkeling van forensische psychiatrie veranderde deze aanpak. Het strafrecht begon zich meer te richten op herstel en risicobeperking dan uitsluitend op vergelding. Behandeling werd een centraal onderdeel van strafuitvoering.
TBS wordt voornamelijk toegepast bij zware geweldsdelicten, zedendelicten en situaties waarbij de rechter oordeelt dat de dader een psychische stoornis heeft die gevaarlijk gedrag kan veroorzaken. Deskundigen zoals psychiaters en psychologen leveren rapportages die de rechtbank helpen bij de beslissing. Zonder medische onderbouwing wordt TBS meestal niet opgelegd. Het systeem richt zich op toekomstige veiligheid en vermindering van herhalingscriminaliteit.
Gedetineerden die onder TBS vallen worden behandeld in gespecialiseerde forensische psychiatrische instellingen. In deze klinieken werken psychiaters, psychologen en beveiligingspersoneel samen. Therapieprogramma’s richten zich op gedragsverandering, sociale vaardigheden en impulscontrole. De behandeling kan meerdere jaren duren en wordt voortdurend geëvalueerd door medische experts. Sommige patiënten verblijven langer dan tien jaar binnen het systeem, afhankelijk van hun herstel en risico-inschatting.
Een belangrijk doel van TBS is het verminderen van recidive onder ernstige criminelen. Onderzoek binnen het Nederlandse strafrechtssysteem suggereert dat behandeling binnen forensische zorg kan bijdragen aan lagere terugvalcijfers. Toch blijft toezicht na vrijlating noodzakelijk. Reclasseringsdiensten controleren voormalige patiënten en stellen voorwaarden aan gedrag, werk en sociale omgeving om nieuwe criminaliteit te voorkomen.