Georganiseerde misdaad in Nederland kent wortels in de twintigste eeuw. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog ging het vooral om smokkel van tabak, alcohol en later softdrugs. De schaal was relatief beperkt en de structuren waren los georganiseerd. Criminele netwerken opereerden vaak lokaal en hadden weinig internationale vertakkingen.
In de jaren zestig en zeventig veranderde dit. De opkomst van de internationale drugshandel, met name hasj en later cocaïne, creëerde nieuwe verdienmodellen. Nederland ontwikkelde zich mede door zijn logistieke infrastructuur – havens, luchthavens en handelsnetwerken – tot een aantrekkelijk doorvoerland.
De haven van Haven van Rotterdam speelde hierin een centrale rol. De combinatie van hoge goederenstromen en complexe logistiek maakte controle lastig, wat kansen bood voor smokkel.
In de jaren tachtig werd georganiseerde misdaad zichtbaarder en professioneler. De handel in harddrugs groeide snel. Criminele netwerken ontwikkelden hiërarchische structuren, investeerden in logistiek en werkten samen met internationale partners.
De handel in cocaïne vanuit Zuid-Amerika nam toe. Nederland werd niet alleen doorvoerland, maar ook distributiecentrum binnen Europa. De infrastructuur rondom Rotterdam en luchthaven Luchthaven Schiphol werd strategisch benut.
Deze periode werd gekenmerkt door een toename van geweld en liquidaties binnen het criminele milieu. Concurrentie om marktaandeel leidde tot gewelddadige afrekeningen. Tegelijkertijd ontstonden vormen van witwassen via vastgoed en horeca.
Een belangrijk keerpunt in de bestrijding van georganiseerde misdaad was de zogenoemde IRT-affaire in de jaren negentig. Het Interregionaal Rechercheteam (IRT) paste opsporingsmethoden toe waarbij gecontroleerde doorvoer van drugs werd toegestaan om grotere netwerken in beeld te brengen.
De affaire leidde tot politieke en maatschappelijke discussie over opsporingsmethoden en controlemechanismen. Parlementaire onderzoeken legden bloot dat toezicht tekort was geschoten. De kwestie had grote invloed op wetgeving en de inrichting van opsporingsdiensten.
De IRT-affaire markeerde een fase van institutionele zelfreflectie en versterking van juridische kaders rond bijzondere opsporingsbevoegdheden.
Vanaf de jaren negentig groeide Nederland uit tot een belangrijke producent van synthetische drugs, met name XTC en amfetamine. Productie vond vaak plaats in afgelegen loodsen en buitengebieden.
De combinatie van chemische kennis, logistieke infrastructuur en internationale distributiekanalen maakte Nederland aantrekkelijk voor producenten. De export richtte zich op Europa, maar ook op Australië en Azië.
Deze ontwikkeling vergrootte de internationale reputatie van Nederland als producentenland. Tegelijkertijd leidde het tot milieuproblemen door dumpingen van chemisch afval.