In mei 2023 werden meerdere huiszoekingen uitgevoerd in West‑ en Oost‑Vlaanderen, waarna zeven verdachten werden aangehouden op verdenking van het plannen van ten minste één terroristische aanslag.
De leidinggevende verdachte, een Tsjetsjeense man, werd door de rechtbank veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. Zijn vrouw kreeg 8 jaar; de andere twee medeverdachten lagere straffen.
Volgens de rechtbank bestonden de plannen uit “precies en uitgewerkte voorbereidingen” om een gewelddadige actie te plegen, mogelijk met ideologische motieven. Certificaten, geldtransacties en communicatie‑gegevens vormden de basis van het bewijs. De veroordeling benadrukt dat terrorisme niet enkel uit improvisatie bestaat, maar vaak door langdurige voorbereiding en organisatie.
De strafzaak benadrukt dat België, ondanks eerdere aanslagen, actief blijft in het opsporen van terrorismenetwerken. Het hof oordeelde dat de aanslagmogelijkheden actueel waren en niet louter hypothetisch. Voor Europa geldt het als signaal dat grensoverschrijdende samenwerking binnen opsporing en rechtspraak essentieel blijft — ideologische dreigingen kennen geen landsgrenzen.