In een tijd waarin true crime populairder is dan ooit, onderscheidt het boek True Crime – 50 gruwelijke misdaden van David Owen zich door één ding: het legt niet alleen misdaadverhalen bloot, maar ook hoe ze zijn opgelost. DNA-sporen, vingerafdrukken, vezelanalyse, bijtsporen, toxische stoffen — dit boek duikt diep in de forensische technieken die moordenaars in de boeien kregen. Het resultaat is een rauw, educatief én soms ronduit huiveringwekkend kijkje in de wereld van gerechtelijke wetenschap.

De kracht van het boek zit in de selectie van zaken: oud, nieuw, iconisch en obscure misdaden die pas jaren later werden opgelost. Het gaat niet alleen om de bekende seriemoordenaars of wereldberoemde zaken — juist de minder bekende dossiers blijken soms nóg schokkender. Owen kiest voor een benadering die je niet vaak ziet in populaire true crime: hij vertelt niet alleen wat er is gebeurd, maar vooral hoe onderzoekers eindelijk bewijs vonden dat overeind bleef in de rechtszaal. Elk hoofdstuk is als een autopsie van een misdaad: koud, precies, soms gruwelijk, maar altijd fascinerend.

Voor fans van CSI-achtige reconstructies is dit boek pure verwennerij. Owen beschrijft tot in detail de technieken waarmee daders uiteindelijk zijn ontmaskerd, zoals vezelsporen die een moordenaar rechtstreeks aan een slachtoffer verbonden, bijtpatronen die fouten in politieonderzoek blootlegden, geavanceerde DNA-analyses die decennia oude cold cases alsnog oplosten en digitale forensiek waarbij metadata en computerlogboeken leugens doorprikten. Samen laten deze voorbeelden zien hoe technologie de misdaadbestrijding heeft getransformeerd, maar ook hoe riskant het kan zijn wanneer amateurs of corrupte instanties die wetenschap verkeerd inzetten. Daardoor is het boek niet alleen spannend, maar ook een harde reality check.