Weinig Belgische criminelen spreken vandaag nog zo tot de verbeelding als Patrick Haemers. Met zijn opvallende uiterlijk, flamboyante levensstijl en reeks brutale misdaden werd hij een icoon van de onderwereld. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met gijzelingen, overvallen en het ontvoeren van een politicus — maar ook met een leven dat ontspoorde onder de druk van drugs, geld en grootheidswaan.

In de jaren ’80 groeide Patrick Haemers uit tot een opvallende figuur in Brussel. Hij was gespierd, zelfverzekerd en had een bijna filmische uitstraling die zowel bewondering als angst opriep. Wat begon als kleine criminaliteit evolueerde snel naar gewapende overvallen op geldtransporten. Haemers leidde een compacte maar extreem gewelddadige bende die erin slaagde spectaculaire coups te plegen, telkens met een opvallende mix van lef en precisie. Zijn naam werd een synoniem voor professioneel georganiseerde criminaliteit, en tegelijk voor een levensstijl die steeds losser kwam te staan van de realiteit.

Het misdaadklimaat in België kreeg in 1989 een schok toen Haemers en zijn bende de voormalige premier Paul Vanden Boeynants ontvoerden. Het was een daad die het land wekenlang in spanning hield. De operatie was niet alleen gedurfd maar ook ongewoon mediamiek: Haemers zocht de publiciteit op en leek zich bijna te wentelen in zijn rol als publieke vijand. De enorme losgeldsom, de angst binnen de politieke top en de intensieve klopjacht maakten de zaak een van de meest besproken misdaden van de eeuw. De ontvoering werd uiteindelijk zijn ondergang: het onderzoek leidde naar zijn netwerk, zijn schuilplaatsen en zijn internationale vluchtpogingen.