In Colombia wordt een aanzienlijke hoeveelheid benzine en soortgelijke brandstoffen niet gebruikt voor transport of landbouw, maar in de illegale productie van cocaïne. Onderzoekers schatten dat duizenden liters brandstof per kilo cocaïne nodig zijn. Bijvoorbeeld: volgens analyses is ongeveer 75 gallon (~285 liter) brandstof vereist om genoeg cocabladeren te verwerken voor 1 kg cocaïne.
Die grote vraag doet zich vooral voor in afgelegen regio’s zoals Nariño, Putumayo en Catatumbo, waar veel clandestiene laboratoria zijn gevestigd.
Het gebruik van brandstof in de drugsketen is verbonden met een bredere illegale petroleumketen in Colombia. Gewapende groepen stelen ruwe olie uit pijpleidingen van staatsbedrijf Ecopetrol en raffineren die tot een benzineachtige substantie, lokaal bekend als “pategrillo”. Deze substantie wordt dan direct ingezet in cocaïneproductie.
De milieu-impact is groot: chemicaliën en olierestanten worden gedumpt in rivieren en op open terreinen, wat leidt tot ernstige verontreiniging van bodem en water.
Deze parallelle economie levert gewapende groepen, waaronder dissidenten van FARC en criminele netwerken als Clan del Golfo, aanzienlijke winsten op.
INCB
Tegelijk leidt het tot verwaarlozing van legale sectoren: boeren in coca-zones raken vaak afhankelijk van de coca-keten omdat legale alternatieven weinig perspectief bieden. Regionale oliesectoren lijden ook onder de stijgende diefstal, verwerkingsondermijning en infrastructuurstoringen.
Door de toegenomen coca-teelt (in 2023 bereikte deze een hoogtepunt) en toename in productiecapaciteit neemt de druk op brand-stof- en olieketens verder toe.